Van handhaven naar begrijpen
Van handhaven naar begrijpen: de veranderende rol van leerplicht
Wat maakt het voor een jongere moeilijk om naar school te gaan? Die vraag stond centraal tijdens een training over schoolaanwezigheid die leerplichtambtenaren Birte Steggink en Thijmen Damveld van de gemeente Enschede onlangs volgden.
De training in Utrecht werd gegeven door Annie Jones, teamleider leerplicht in Chicago en internationaal expert op het gebied van schoolaanwezigheid. Haar boodschap: wie schoolaanwezigheid wil verbeteren, kijkt verder dan het verzuim alleen.
“Wat wij zien, is niet altijd het volledige verhaal,” vertelt Thijmen. “Achter een leerling die niet naar school komt, kan van alles spelen. Dan helpt een bestraffende aanpak niet altijd. Je moet eerst begrijpen wat er aan de hand is.”
Thijmen Damveld en Birte Steggink – leerplichtambtenaren
Drie niveaus van ondersteuning
De training ging over het MD-MTSS-model, een aanpak die ook onderdeel is van de Twentse aanpak. Het model bouwt de ondersteuning op in drie niveaus. Het uitgangspunt: zo licht als het kan, zo intensief als nodig. Zo sluiten ondersteuning en begeleiding aan bij wat een leerling op dat moment nodig heeft.
Niveau 1 – Een school waar leerlingen willen zijn
Het eerste niveau richt zich op alle leerlingen. Preventie staat voorop. Hoe zorg je ervoor dat jongeren graag naar school komen en zich daar verbonden voelen. Denk aan een positieve schoolcultuur waarin scholen aanwezigheid waarderen en vieren. Ook snel contact met ouders bij een eerste afwezigheid helpt om beginnend verzuim vroeg te signaleren.
Zelfs het lesrooster kan verschil maken: een aantrekkelijk onderwijsaanbod en een goede planning kunnen de drempel om naar school te komen verlagen. “Het begint eigenlijk heel dichtbij,” zegt Thijmen. “Voelt een leerling zich gezien? Is er iemand die merkt dat je er niet bent? Dat soort dingen maken onderdeel uit van aanwezigheid.”
Niveau 2 – Extra aandacht als verzuim oploopt
Wanneer een leerling ongeveer 10 procent van de schooltijd mist, komt gerichte ondersteuning in beeld. Het doel: voorkomen dat het verzuim verder oploopt en de verbinding met school herstellen. Scholen kunnen bijvoorbeeld werken met ‘Check & Connect’, waarbij een vaste mentor dagelijks contact heeft met de leerling. Ook ‘peer mentoring’ biedt mogelijkheden: een oudere leerling met een goede aanwezigheid wordt gekoppeld aan een jongere leerling die moeite heeft om naar school te komen.
Een andere interventie uit Chicago is een ‘mentoringgroep van twaalf weken’. In die periode werken jongeren aan vertrouwen, verbondenheid en een positieve relatie met school. Ook ouders krijgen gerichte informatie. Met zogenoemde ‘nudge-brieven’ krijgen zij op een vriendelijke en duidelijke manier inzicht in het verzuim en de mogelijke gevolgen daarvan.
“Dat vind ik mooi aan deze aanpak,” vult Birte aan. “Je wacht niet tot een probleem heel groot wordt. Je probeert eerder iets te doen, op een manier die past bij de jongere.”
Niveau 3 – Intensieve ondersteuning als het echt niet lukt
Blijft het verzuim hardnekkig, dan volgt intensiever maatwerk. Een casemanager kan de regie nemen en school, gezin en andere professionals bij elkaar brengen. Soms vraagt dat om een huisbezoek, om te begrijpen wat er achter het verzuim schuilgaat. Denk aan financiële problemen, zorgen in het gezin, mentale problemen of problemen met vervoer.
Ook samenwerking met bijvoorbeeld jeugdhulp, gezondheidszorg of andere lokale partners kan nodig zijn. Voor jongeren die volledig zijn uitgevallen, kunnen alternatieve, kleinschalige leeromgevingen helpen om stap voor stap weer richting onderwijs te bewegen.
De vraag achter de vraag
Bij ieder niveau staat dezelfde gedachte centraal: kijk naar het geheel. Naar de leerling, naar het gezin en de school.
Een jongere kan bijvoorbeeld worstelen met faalangst of motivatie. Thuis kunnen zorgen of praktische problemen spelen. En ook de schoolomgeving zelf kan invloed hebben: voelt de leerling zich veilig, is er een goede relatie met docenten en sluit het onderwijs voldoende aan?
“De vraag ‘waarom kom je niet naar school?’ richt zich vooral op het gedrag,” legt Birte uit. “Als je vraagt ‘waarom kun je niet naar school?’, ontstaat een heel ander gesprek. Dan ga je op zoek naar wat er in de weg staat.”
Handhaving blijft, maar niet als eerste stap
De training geeft daarmee ook een andere kijk op de rol van leerplicht. Handhaving blijft onderdeel van het vak. Tegelijk ligt de nadruk steeds meer op preventie, samenwerking en ondersteuning. Pas wanneer hulp, gesprekken en andere interventies onvoldoende resultaat opleveren, komt juridische handhaving in beeld. De rol van leerplicht verandert daarmee: van vooral handhaven naar steeds meer preventief meedenken, signaleren en ondersteunen. Die ontwikkeling vormt ook binnen gemeenten een belangrijk gespreksonderwerp en krijgt de komende jaren meer aandacht.
Voor Thijmen en Birte levert de training vooral nieuwe inspiratie op voor zijn dagelijkse werk. “Uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde: dat jongeren naar school kunnen, zich ontwikkelen en hun plek vinden in de maatschappij. Juist door eerder te kijken naar wat een jongere nodig heeft, kan leerplicht daar steeds beter aan bijdragen.
Thijmen is lid van de Twentse werkgroep Schoolaanwezigheid. Binnen de werkgroep en de gemeente Enschede is volop aandacht voor de veranderende rol van leerplicht en wat nodig is om die rol goed in te vullen. Samen met collega’s uit andere Twentse gemeenten werken ze aan een aanpak die nog sterker inzet op preventie: eerder signaleren, beter samenwerken en sneller in beeld krijgen wat een jongere nodig heeft om naar school te kunnen.